Een kind moet worden opgevoed en leren hoe de wereld werkt. Je kunt het niet zomaar aan zijn lot overlaten. Zonder die begeleiding groeit het niet op tot wat wij een ‘mens’ noemen, maar blijft het dicht bij zijn natuurlijke, dierlijke kant. Een dier is altijd echt. Niet omdat het beter is, maar omdat het niet weet wat onecht zijn is. Het kent geen leugens of maskers. Als een kind zo zou blijven, zou het puur en spontaan zijn, maar ook zonder besef van wat wel of niet klopt in de wereld om hem heen. Daarom leert de omgeving het kind zich aan te passen. Het leert wat wel en niet hoort, hoe het zich moet gedragen, en soms ook om iets anders te laten zien dan het echt voelt.
Het leert een rol te spelen. Zo ontstaat er een verschil tussen binnen en buiten. Van binnen leeft nog steeds het spontane en echte. Aan de buitenkant ontstaat de aangepaste versie die voldoet aan de verwachtingen. Dat kan voor verwarring zorgen. Want wat iemand voelt en wat hij laat zien, is niet altijd hetzelfde. We willen ons aanpassen, maar ook trouw blijven aan onszelf. Daardoor is het soms moeilijk om echt oprecht te zijn. Niet omdat we dat niet willen, maar omdat we hebben geleerd ons aan te passen, aan anderen én aan het beeld dat we van onszelf hebben gemaakt.

Geef een reactie