We spreken liever niet over de dood. Het onderwerp is ongewenst, ongemakkelijk, iets wat we het liefst op afstand houden. Hoewel de dood zich dagelijks overal voltrekt, wenden we ons af. Zodra iemand sterft, maken we ons uit de voeten. Onze begraafplaatsen liggen buiten het dagelijkse leven, ver buiten de bebouwde kom, op plaatsen waar bijna niemand komt. Alsof we de dood letterlijk willen verbannen uit ons zicht. We omringen haar met marmer, bloemen en zorgvuldig gekozen woorden. Mooie graven, gepolijste stenen, troostrijke inscripties. Zelfs het verhullen van de dood is een vak geworden. Professionals zorgen ervoor dat het dode lichaam eruitziet alsof het nog leeft, alsof we met uiterlijke verzorging kunnen ontkennen wat onvermijdelijk is.
Alles is erop gericht de dood te camoufleren, te verzachten, te verbergen. Maar hoe ver we haar ook proberen te ontwijken, de dood laat zich niet wegdenken. We kunnen haar de rug toekeren, doen alsof ze niet bestaat, maar daarmee verdwijnt ze niet. In werkelijkheid zijn we al onderweg. Naar de begraafplaats of de crematieoven, waar die zich ook bevindt. We staan, zonder het te beseffen, al in de rij. Wachtend. Er is geen uitweg, geen ontsnapping mogelijk. Want waar leven is, is ook dood. In het leven zelf ligt de dood besloten. Ze zijn niet van elkaar te scheiden. Leven en dood zijn geen afzonderlijke gebeurtenissen, maar twee uitdrukkingen van één en dezelfde werkelijkheid, twee zijden van dezelfde medaille. Aangezien de dood deel uitmaakt van het leven, kan het leven niet anders dan ook deel uitmaken van de dood. Ze horen bij elkaar, ze vullen elkaar aan, en geven elkaar betekenis.