Naam & naamloosheid

Wanneer een kind wordt geboren, komt het ter wereld als een openheid, als een leeg veld van mogelijkheden. Het heeft nog geen identiteit, geen geschiedenis, geen zelfbeeld. In die zin is een pasgeborene een “niemand”: puur, ongerept en vrij van alles wat later gevormd zal worden. Dat is de stille schoonheid van een kind,  het is nog niet gevangen in een beeld van zichzelf. Toch kan een mens niet zonder een vorm. Zodra een kind geboren is, krijgt het een naam. Een eenvoudig woord waarmee het herkenbaar wordt, waarmee het kan worden aangesproken, opgeroepen en opgenomen in de samenleving. De naam is praktisch noodzakelijk: zonder namen zou het leven onoverzichtelijk en chaotisch zijn. We zouden elkaar niet weten te vinden, geen afspraken kunnen maken, geen geschiedenis kunnen schrijven. Namen zijn dus een hulpmiddel, een structuur die het leven ordent. Maar diezelfde naam die bedoeld was als praktische aanduiding, wordt al snel veel meer. Het kind gaat zich ermee identificeren. Het groeit op en leert: “Dit ben ik.” De naam, aanvankelijk slechts een label, wordt langzaam een kern van identiteit. Er ontstaat een innerlijke hypnose: de naam wordt niet langer iets buiten ons, maar iets waarvan we gaan geloven dat het werkelijk ons wezen omsluit. En toch: achter elke naam blijft er een stille waarheid schuilgaan. In werkelijkheid zijn we naamloos. Zelfs het bestaan zelf heeft geen naam. Alle namen die wij eraan geven, God, universum, natuur, leven, zijn pogingen van de mens om het onbegrijpelijke te benoemen. Ze zijn nuttig, maar niet het wezenlijke. Het wezenlijke is altijd groter dan de naam die wij eraan hechten.

De identificatie met onze naam en identiteit is vaak zo sterk dat we vergeten dat het slechts een constructie is. “Ik ben Jan” of “Ik ben Maria” lijkt een vanzelfsprekende waarheid, maar in feite is het een beperkt beeld dat ons losweekt van de openheid waarin we geboren zijn. Onze naam wordt verbonden met verwachtingen, rollen en sociale posities. We worden zoon of dochter, leerling, vriend, werknemer. Telkens opnieuw wordt onze identiteit bevestigd en verstevigd. Op die manier kan de naam een last worden, een harnas dat ons belemmert om voorbij dat beeld te kijken. Toch is het mogelijk om de naam los te laten, niet door hem te vergeten, maar door hem te doorzien. Wanneer we beseffen dat de naam slechts een hulpmiddel is, verliezen we de gehechtheid eraan. Dan ontstaat er opnieuw ruimte voor de naamloosheid die we in wezen altijd zijn geweest. Naamloos leven betekent niet dat we onze namen moeten afschaffen of dat we weigeren aangesproken te worden. Het betekent dat we beseffen dat achter de naam iets veel groters schuilt: een stilte, een aanwezigheid, een bewustzijn dat geen label nodig heeft. In momenten van diepe stilte, bijvoorbeeld in meditatie, in de natuur of in een ervaring van liefde, kunnen we soms een glimp opvangen van dat naamloze. Dan valt de identificatie met “ik ben dit of dat” even weg, en blijft er alleen zijn over. Het paradoxale is dat we beide nodig hebben. Aan de ene kant de naam, de identiteit, de praktische functie die ons helpt samen te leven en ons een plek geeft in de wereld. Aan de andere kant de vrijheid om te weten dat we in wezen nooit door die naam beperkt kunnen worden. Wanneer we dit beseffen, wordt de naam een spel. Hij is handig, hij kan gebruikt worden, maar we zijn er niet door gevangen. Dan kunnen we moeiteloos schakelen tussen onze menselijke rollen en de stille openheid die altijd in ons aanwezig is.