Psychologen zijn het erover eens: wat je voortdurend te horen krijgt, ga je uiteindelijk geloven. Je wordt niet letterlijk wat er gezegd wordt, maar het idee nestelt zich diep in je geest en vormt hoe je jezelf ziet. Dat is precies waar conditionering om draait. Wanneer een kind keer op keer te horen krijgt dat het “stom” is, gaat het dat niet alleen geloven, maar zich er ook naar gedragen. Het kind denkt: als iedereen zegt dat ik dom ben, dan zal het wel waar zijn. Zo kan een negatieve boodschap zich verankeren en het zelfbeeld voor jaren bepalen. Maar hetzelfde mechanisme werkt ook de andere kant op. Als een kind steeds wordt aangesproken op zijn kwaliteiten en mogelijkheden, gaat het zich daar ook naar vormen. Het ontwikkelt vertrouwen, lef en een gevoel van eigenwaarde. Conditionering kan dus maken dat een kind zichzelf mooi of lelijk vindt, waardevol of waardeloos, succesvol of mislukt. Toch ligt in álle vormen van conditionering een bron van lijden verscholen. Of iemand nu leert zichzelf briljant te vinden of mislukt, beide zijn een gevangenis. Het zelfbeeld is niet meer vrij, maar afhankelijk van een opgelegde boodschap. Het kind groeit op met de overtuiging dat het altijd moet voldoen aan een bepaald beeld, en dat legt een zware druk op het leven. Vraag jezelf eens af:
- Welke boodschappen heb ik vroeger vaak gehoord over mezelf?
- Herken ik dat ik sommige daarvan ben gaan geloven?
- Kloppen die overtuigingen nog steeds, of is het tijd om ze los te laten?
Door dit bewust te onderzoeken, ontstaat er ruimte om jezelf opnieuw te definiëren, los van oude conditioneringen. Want pas dan wordt duidelijk: je bént niet wat je hebt geleerd over jezelf, je bent veel ruimer en vrijer dan dat.