Echte vrijheid ligt, paradoxaal genoeg, in het volledig ervaren dat je geen vrije wil hebt. Wanneer je dit aanvaardt, verdwijnt de noodzaak om te worstelen met jezelf of om iemand anders te zijn dan wie je werkelijk bent. Strijd ontstaat immers uit het niet accepteren van jezelf, het is een teken dat je nog steeds in conflict bent met je eigen wezen, je eigen vijand blijft. Maar zodra je niet langer wordt voortgedreven door krachten waarop je geen invloed hebt, kun je je innerlijke conflicten recht in de ogen kijken. Dit brengt een diepere rust. Misschien besef je nu zelfs, schokkend genoeg, dat al je inspanningen om via wilskracht verandering te forceren uiteindelijk tot niets hebben geleid. Sterker nog, misschien zie je nu pas in hoe je jezelf al die tijd geweld hebt aangedaan, want elke poging om iemand anders te zijn dan wie je bent, is in essentie een daad van geweld tegen jezelf.
Voel je daar echter niet schuldig over, simpelweg omdat je niet anders kon. Dit is geen excuus, want een excuus zou impliceren dat je wél een vrije wil hebt. Wanneer je niets anders kunt doen dan wat je doet, wat valt er dan nog te doen? Helemaal niets. En juist in dat niets schuilt een fundamentele rust. Dit niets biedt je bovendien de mogelijkheid om werkelijk te ontdekken wie je bent. In de angst die nietsdoen oproept, beginnen de contouren van je ware zelf zich af te tekenen. De essentie van dit inzicht is dat je bent wie je bent. Daarom is het zinloos om te proberen een innerlijk conflict te overstijgen, elke poging daartoe versterkt het conflict alleen maar. Want juist het verlangen om eruit te komen, vormt de kern van de strijd. Volledige overgave aan de onvrije wil leidt daarentegen tot een diepere aanvaarding van het leven in al zijn facetten.