Er is een oud Chinees gezegde: de mens wordt groots geboren, maar slechts zelden sterft hij groots. Wat bedoelt men daarmee? Als kind zijn we nog open en onbevangen. Alles is mogelijk: je kunt brandweerman worden, kunstenaar, ontdekkingsreiziger, of gewoon jezelf op allerlei manieren ontdekken. Je leeft zonder vastomlijnde grenzen, je bent nieuwsgierig en speelt met alles wat op je pad komt. Maar gaandeweg vernauwt dat open veld. We maken keuzes, volgen een opleiding, kiezen een beroep, bouwen een gezin of carrière op. Voor je het weet word je herkend, en misschien ook door jezelf gezien als, “de accountant”, “de verpleegkundige”, of “de ingenieur”. De rol die je speelt gaat steeds meer bepalen wie je denkt te zijn. Dat hoeft niet verkeerd te zijn, maar het gevaar is dat we onszelf té veel vastzetten. In plaats van het vrije luchtruim waarmee we begonnen, belanden we in een smalle tunnel.
We raken geïdentificeerd met wat we doen, en vergeten dat we méér zijn dan ons beroep, onze status of onze prestaties. Kijk maar eens in het dagelijks leven: hoe vaak stel je jezelf voor met je functie? Hoe vaak zeg je: “Ik ben arts” of “Ik ben timmerman”, in plaats van: “Ik heet…” en “ik ben iemand die houdt van muziek, de natuur of van mijn kinderen”? Ons ego wil zich vastklampen aan een duidelijk label, maar daarmee verliezen we vaak de speelsheid en ruimte van het begin. Misschien is de uitnodiging van dit gezegde wel om niet te wachten tot ons leven voorbij is, maar om nu al weer wat ruimer te gaan leven. Dat kan door onszelf niet te beperken tot de tunnel van onze functie. Door ruimte te nemen voor wat ons echt raakt: creativiteit, stilte, vriendschap, spel, verwondering. Groots sterven betekent misschien niet dat je een indrukwekkende titel achter je naam hebt, maar dat je in contact bent gebleven met de openheid waarmee je ooit begon. Dat je aan het einde kunt zeggen: ik heb niet alleen mijn rol gespeeld, ik heb vooral écht geleefd.