Wat we ook denken, er speelt altijd de vraag mee wat de ander daarvan zal vinden. Wat we doen, doen we vaak met het oog op hoe het op een ander overkomt. En wat we zijn, lijken we altijd te zijn voor de ander. In alles wat we denken, doen of voelen, speelt de ander een centrale rol. Onze blik is voortdurend naar buiten gericht, op de ander. Doordat we zo sterk op de ander gefocust zijn, raken we onszelf kwijt. We verliezen het contact met onze eigen binnenwereld. En wanneer we dat contact met onszelf kwijtraken, weten we eigenlijk niet meer wie we werkelijk zijn. Alles wat we over onszelf denken te weten, is gevormd door wat anderen ooit over ons gezegd hebben.
Als iemand ons slim noemt, nemen we dat graag aan. Maar als iemand ons ooit dom noemde, blijft dat vaak jarenlang hangen. Zo bouwen we een zelfbeeld op uit losse uitspraken, meningen en oordelen van buitenaf. We vertrouwen op die beelden, maar ze zijn niet van onszelf. Wat ons werkelijk uniek maakt, kennen we nauwelijks. Ironisch genoeg geldt dat niet alleen voor ons: de ander die denkt ons te kennen, kent zichzelf meestal ook niet echt. Ook die heeft zijn beeld van zichzelf weer opgebouwd aan de hand van hoe hij of zij door anderen wordt gezien. Zo ontstaat er een vreemde kringloop: wij kennen onszelf via de ander, en de ander kent zichzelf via ons, maar uiteindelijk zijn we beiden vervreemd van wie we werkelijk zijn.