Ons verstand tracht altijd tegen de stroom in te gaan. Wanneer we tegen de stroom ingaan, voelen we als het ware de kracht van onze eigen identiteit en krijgen we het idee dat we controle hebben over ons leven. Het is een vorm van verzet wat ontstaat vanuit het ego, dat zijn bestaansrecht ontleent aan het gevoel van strijd en afscheiding. Het ego is een mentale constructie die ons het gevoel geeft ‘iemand’ te zijn, het heeft een drang om zichzelf als een zelfstandig, en uniek “ik” te zien. Dit gevoel zorgt ervoor dat het ego altijd iets wil “doen” in plaats van gewoon te “zijn.” Tegen de stroom ingaan betekent “doen”, hiermee krijgen we het gevoel dat we bestaan. Wanneer we ons gewoon laten gaan en met de stroom meedrijven impliceert “zijn”, dit geeft ons echter het gevoel dat we niet bestaan. Door zich tegen de natuurlijke stroom van het leven te verzetten krijgt het ego toch recht van bestaan. De levensstroom is de natuurlijke loop van het leven, het ritme dat zonder onze tussenkomst stroomt.
Door ons te verzetten tegen de natuurlijke loop van het leven kunnen we het gevoel krijgen dat het leven zich tegen ons keert, alsof het een gevecht met ons levert. Het leven is absoluut niet tegen ons, maar omdat we niet mee bewegen met het leven, hebben we het gevoel dat het tegen ons is. Geven we ons echter over aan de stroom dan zal het bestaan ons ten dienste zijn. Dan zal alles in het leven op zijn plek vallen, zonder dat wij er actief iets voor hoeven te doen. Overgave aan de stroom betekent niet dat we passief worden of geen richting in het leven hebben, het betekent dat we in harmonie zijn met wat er op ons pad komt. We vertrouwen erop dat alles wat we nodig hebben vanzelf naar ons toe komt, zonder dat we er krampachtig naar hoeven te streven. Op dat moment verdwijnen strijd en angst en blijft alleen de pure ervaring van het moment over, waardoor we een diepe innerlijke vrede kunnen ervaren.