GELUK & PECH

Het woord geluk gebruiken we vaak op heel verschillende manieren. Soms bedoelen we ermee dat iets goed is afgelopen: je bent geslaagd voor je rijexamen, of je hebt de partner van je dromen ontmoet. Maar als het niet lukt, zeggen we dat we pech hebben gehad. In dat opzicht lijkt pech het tegenovergestelde van geluk. Het ene kan niet zonder het andere: wie geluk wil hebben, loopt onvermijdelijk ook tegen pech aan. Neem bijvoorbeeld de situatie waarin je tijdens je vakantie je been breekt. Je zou kunnen zeggen dat je pech hebt, omdat je vakantie daardoor in duigen valt. Tegelijkertijd kun je zeggen dat je geluk hebt, omdat er toevallig snel een ambulance in de buurt was. Geluk dat afhankelijk is van pech is dus altijd dubbelzinnig en nooit blijvend.

Toch blijven we verlangen naar een vorm van geluk die niet voorbijgaat, een permanent geluk. Maar juist dat kunnen we niet bereiken door te streven, te verlangen of te willen. Denk maar eens terug aan momenten waarop je je werkelijk gelukkig voelde. Was je er toen bewust naar op zoek? Waarschijnlijk niet. Geluk verschijnt altijd onverwacht, terwijl je eigenlijk met iets anders bezig bent. Op die momenten ben je jezelf even kwijt: je bent niet bezig met je eigen zorgen, verlangens of verwachtingen. Je vergeet het ‘ik’ dat voortdurend iets wil of ergens tegen is. En precies in dat vergeten ontstaat geluk. Werkelijk geluk openbaart zich dus niet door het najagen van wensen, maar juist door het verdwijnen van verlangens, zorgen, oordelen en voorkeuren. Het is er op het moment dat het ‘ik’ loslaat en oplost.