DE BLINDE EN DE LAMME

In een woud, niet ver van een stad, leefden ooit twee bedelaars. Ze waren elkaars rivalen, zoals vaklui dat soms kunnen zijn. De ene was blind en de andere was kreupel. Ieder had zijn eigen beperking, en daardoor zagen ze elkaar eerder als concurrent dan als medemens. Maar op een nacht brak er brand uit. Het vuur greep razendsnel om zich heen en bereikte ook hun hutten. De blinde kon hardlopen, maar wist niet waarheen. De kreupele kon zien waar nog een uitweg was, maar zijn benen weigerden dienst. Voor hem leek het vuur onontkoombaar dichterbij te komen. In dat moment van wanhoop kreeg hij een helder inzicht: de blinde had benen om te vluchten, hij had ogen om de weg te wijzen. Wat ieder voor zichzelf miste, bezat de ander.

Toen ze hun onderlinge strijd vergaten en hun krachten bundelden, ontstond er een onverwachte eenheid. De blinde droeg de kreupele op zijn schouders, en samen vonden ze de weg uit het vuur. Wat eerst een bedreiging leek, bracht hen juist dichter bij elkaar. Ze ontdekten dat waar de één tekortschiet, de ander kan aanvullen. Vanaf dat moment waren ze niet langer rivalen, maar bondgenoten voor het leven. Deze oude anekdote herinnert ons eraan dat we als mens allemaal beperkingen kennen. Alleen zijn die vaak pijnlijk zichtbaar, maar samen kunnen ze juist een bron van kracht worden. Waar de één niet kan, kan de ander. Waar de ander geen overzicht heeft, kan de één de richting aangeven. De blinde en de lamme laten zien dat ware samenwerking ontstaat wanneer we ons eigen ego en onze onderlinge strijd opzijzetten. Op dat moment verandert tekort in kracht en ontstaat er een geheel dat meer is dan de som van de delen.