Denken en de denker

,

De denkgeest is flexibel. Ze verschijnt als emotie, als gevoel, als gedachte, overtuiging of beeld. Ze beweegt zich moeiteloos tussen herinnering en verwachting. In haar spel roept ze tijd op, verleden en toekomst, oorzaak en gevolg. Maar hoe krachtig ook, haar reikwijdte kent grenzen. Het denken kan zichzelf niet overstijgen. Het kan reflecteren op zichzelf, maar nooit het geheel omvatten waarvan het slechts een uitdrukking is. Zonder het onderscheid tussen een ik en een ander,  tussen subject en object, verliest het denken zijn grond. Want het leeft binnen dualiteit, binnen tijd, binnen scheiding. Wat het denken waarneemt als verdeeldheid, is in werkelijkheid één. Non-dualiteit wijst niet op een versmelting van twee, maar op het afwezig zijn van twee. Slechts het denken maakt onderscheid.

Het zegt: dit ben ik, dat ben jij. Dit is nu, dat was toen. Maar wat voorafgaat aan het denken kent die scheiding niet. Het denken wijst naar een denker. Maar wie of wat is deze denker? Als de gedachte verdwijnt, waar is dan de denker? Ook hij is slechts een constructie in bewustzijn, een golf in de oceaan die zichzelf voor een afzonderlijke entiteit houdt. In de stilte voorbij het denken openbaart zich wat altijd al is: het ongeborene, het onaangeraakte, het onveranderlijke. Dit is het Zelf, niet als persoon, maar als aanwezigheid. Het huidige moment hoeft niet gekend te worden; het is. Zonder tussenkomst. Zonder begrenzing. Aanwezig zijn vereist geen denken. Het is er vóór de gedachte, blijft er tijdens de gedachte, en is er nadat de gedachte verdwijnt. In dit zijn, zonder twee, rust de werkelijkheid zelf,  onverdeeld, eenvoudig, volmaakt.