Water heeft me altijd al gefascineerd. Het heeft een zekere aantrekkingskracht op mij. Als ik aan water denk dan roept dat een beeld op van een rivier. Het fascinerende van een rivier is dat ze bijna nooit stilstaat, ze stroomt altijd verder. Vanuit de bron in de bergen, langs rotsachtige hellingen, uitmondend in de rivier. Hoelang zal ze al onderweg zijn als ze voorbij komt? Een rivier leeft, ze stroomt, ze verandert, ze blijft zichzelf en vervoert steeds nieuw water. Ze accepteert het water zoals het op haar afkomt. De rivier doet me altijd denken aan mijn eigen leven. Ik ben zelf zo’n rivier. Alleen waar ik vandaan kom en wat er gebeurt is onderweg, waardoor ik zo ben als ik nu ben, is me nog niet duidelijk. Wat ik wel weet is dat de bedding van mijn rivier al kant en klaar ‘gegraven’ was.
Ik hoefde de bedding slechts te vullen met water, weliswaar zonder herrie en lawaai, net zoals de rivier, want dat is zoals het hoort. Zo is het mij althans vergaan. Maar ik ben hier niet zomaar, zonder zin of doel. Zoals de rivier zal mijn leven eens uitmonden in de ‘zee’, in het ‘volledig water zijn’. Dit kan echter niet eerder gebeuren wanneer ik vrede sluit met alles op de weg daar naar toe, inclusief met wat ik langs de oevers tegenkom. Maar vasthouden heeft geen zin, want de stroming van de rivier is veel sterker. Ik moet wel loslaten en mee stromen alsmaar verder en verder. Weg van waar het begon, door alle bergen, hellingen, kronkelingen en andere obstakels heen. Maar niet vanuit mezelf. Want alles wat de rivier heeft en ooit zal hebben is haar geschonken, alles vloeit naar haar toe. Ik hoef alleen maar mee te stromen. Sterker nog, ik zal wel mee moeten gaan. Ik heb geen keus. Zo ga ik steeds verder en verder, de verte in, totdat ik volledig in de ‘zee’ opga.