Vaak beschouwen we het geheugen als iets wat uitsluitend in de geest huist. Maar ons lichaam beschikt óók over een eigen geheugen, en dat is krachtiger dan dat van de geest. Iedere cel in ons lichaam draagt een geconcentreerde geschiedenis van miljoenen jaren evolutie met zich mee. In zekere zin belichaamt ons lichaam de volledige ontwikkeling van het leven. Er bestaat een wezenlijk verschil tussen het geheugen van het lichaam en dat van de geest. Het lichaamsgeheugen is direct verbonden met ons overleven. Wanneer we dit geheugen negeren, onderdrukken of ertegen vechten, brengen we onszelf in gevaar. Een duidelijk voorbeeld is honger: een signaal uit het lichaam. We kunnen die honger proberen te negeren of te onderdrukken, maar dat is vrijwel onmogelijk. En zelfs als we daarin zouden slagen, betalen we daarvoor uiteindelijk de hoogste prijs: binnen negentig dagen zouden we sterven. In het geheugen van de geest speelt overleven nauwelijks een rol.
Neem angst: die komt vaak voort uit het psychologische geheugen, en is meestal gebaseerd op wat er mogelijk in de toekomst zou kunnen gebeuren. Deze angst voelt weliswaar echt, maar is vaak niet geworteld in de realiteit, het is een herhaling van gedachtepatronen. Wanneer er echter een concrete dreiging is, bijvoorbeeld als je moet vluchten voor een tijger, dan is angst functioneel en levensreddend. In zo’n situatie activeert het lichamelijke geheugen een directe overlevingsreactie. Maar hoe meer we in zulke momenten de controle aan onze geest overlaten, hoe minder ons lichaam effectief kan reageren. Dan sleept het zich voort als een leeg omhulsel, zonder vitaliteit. Daarom: vecht niet tegen je lichaam. Dat is een strijd die je niet kunt winnen, het is zelfdestructief. Luister naar je lichaam, niet naar je verdeelde geest. Want waar de geest vaak intern verdeeld is, is het lichaam altijd één geheel. In die eenheid ligt de weg naar leven en heling.